1e hoofdstuk boek Naar de hel van Breendonk
Auteur: Ronita Yory
Hoofdstuk 1: Opgepakt
Tien mei 1940, om vier uur 's morgens... Duitsland viel België, Nederland en Luxemburg aan... Scholen sloten hun deuren, uit voorzorg. Mensen liepen angstig op straat en riepen: 't Is oorlog!" Eén jaar later, het geweld woedde in alle hevigheid. Die zondag Rudy die fabrieksarbeider was en gelukkig getrouwd, had twee kinderen:Ilse acht en Marijke tien. Plots werd er hard op de voordeur gebonkt. Annie, zijn vrouw opende met knikkende knieën en vroeg angstig: " Wie is dat?" " Laat ons binnen of wij beuken de deur in!" Na enige aarzeling opende ze de voordeur.
De SS-ers stormden als wilden naar binnen en grepen haar onzacht beet en snauwden: " Waar is Rudy verschuren?" " Da... daar in de woonkamer!" Met haar vinger de plaats aanwijzend. De SS-ers gingen woedend naar hem, één van hen vroeg nijdig: " Ben jij Rudy verschuren?" Jazeker!" Zonder een antwoord te geven sleurden ze hem van zijn stoel en zeiden woedend:" "Schnell mitkommmen, schnell, schnell!" Wat heb ik gedaan?" Vroeg hij geheel van zijn stuk. " Weet ge dat niet, wel ik zal je geheugen eens opfrissen!" De SS-er nam, terwijl hij grijnslachte, bij zijn hoofdharen en trok brutaal zijn hoofd achterover terwijl hij honend zei: " jij, jij bent een spion!"
" Je vergist je, ik ben geen spion, ikheb niets misdaan en laat mij los! Hij vocht uit alle macht, om uit de klauwen van de SS-ers te komen, maar niets mocht baten. Ze sleurden hem ondanks alles mee. Terwijl hij luid riep: " Ik ben geen spion en laat mij los!" De SSers duwden hem onzacht in de gereedstaande camion, waar nog zeven andere gevangenen zaten, die net als hij opgepakt waren. Annie liep vertwijfeld naar één van hen, trok aan zijn arm en smeekte: "Neem mijn man niet mee, hij heeft niets misdaan, laat hem bij ons blijven!" De SS-er schudde haar heftig dooreen terwijl hij met vlammende ogen zei: "Als je nog blijft janken nemen wij jou ook mee, begrepen?" Rudy die het lawaai hoorde, keek door een spleetje naar buiten, hij zag hoe zijn vrouw danig afgeranseld werd. Als een razende leeuw sloeg hij op de ijzeren wanden en riep woedend: "Laat mijn vrouw met rust of ik vermoord jullie!" Drie andere bewakers keken geamuseerd toe. Wat verder stonden de buren die angstig toekeken, ze durfden niet tussenbeide komen. De SS-ers hoorden Rudy roepen, één van hen ging naar hem en opende de zware ijzeren deur en bulderde: “Nog één woord en ik schiet je vrouw en je kinderen dood, begrepen?" Rudy voelde dat die SS-er zijn dreigement zou uitvoeren, daarom achtte hij het geraadzaam te zwijgen. Een andere bewaker gooide Annie op de grond en riep dreigend: "Als uw man en jij nog roept, dan schiet ik jou en de kinderen dood, begrepen?" Langzaam kroop ze angstig recht, ze durfde niets meer te zeggen. Toen de camion met haar man wegreed, riep ze snikkend: " Rudy, kom gauw terug, wij hebben je nodig, Rudy!" Ilse had de hele tijd angstig toegekeken. Marijke riep alsmaar wenend:"Papa kom terug, ik hou van jou!"
De gevangenen die geboeid waren vroegen zich ongerust af waarheen die SS-ers hen zouden brengen. Na enige tijd stopte het gevaarte voor een groot akelig gebouw. Plots werd de zware ijzeren deur van de truck met een smak opengegooid. De SS-ers riepen in het Duits: "Schnell, schnell, aufstehen!" Ze sleurden de gevangenen met hun hoofdharen eruit, totdat iedereen op de begane grond stond. Voor hen stond luitenant Prauss die hen verwelkomde met de eerste scheldwoorden. Met zijn benen wijdopen gespreid begon hij zijn toespraak: "Wij SS-ers zullen jullie leren wat discipline is in Breendonk. Iedere morgen moeten de bedden hoog opgemaakt worden, de nachtemmers leeggegooid en de kamers moeten met véél water gereinigd worden. Er is driemaal daags appél, wie ziek is wordt neergeschoten, begrepen?", terwijl hij dreigend met zijn zweep in het rond sloeg. De gevangenen werden in een lange gang gedreven, waar ze verplicht werden met hun gezicht tegen de muur te staan. "Zo blijven jullie staan tot ik het zeg!", riep Prauss op een autoritaire toon, “wie praat of zich afwend wordt met zijn hoofd tegen de muur geslagen!" Eén van de gevangenen luisterde niet en fluisterde de ander iets toe. Een bewaker had het gezien en liep woedend naar de man. "Is er niet gezegd geweest dat je niet mocht praten?" Bij deze woorden greep hij hem bij zijn hoofdharen en sloeg de arme man met zijn hoofd tegen de betonnen muur. De gevangenen bleven stokstijf staan. Totdat er één van hen naar de gewonde liep. Prauss riep nijdig: "Verzet één stap en je ondergaat hetzelfde lot, begrepen?" Hij vond het dus beter om terug bij de anderen te gaan staan. In deze houding, met hun gelaat tegen de muur, stonden ze reeds acht uur, de hele tijd hadden ze noch eten noch drinken gehad. Eindelijk riep een bewaker: “Schnell, schnell!", riep hij in het Duits," “allen in één rij gaan staan!" Ze werden in een lange gang gedreven, waar ze alles moesten afgeven. Rudy kon nog vlug zijn sigaretten verstoppen die in zijn broekzak zaten. Enkele dagen later... De deur van Rudy's slaapzaal vloog met een ruk open. Twee bewakers en luitenant Prauss stapten kordaat naar Rudy's bed en sleurden hem met zijn hoofdharen op de grond. Hij kroop langzaam recht en vroeg: "Wat gebeurt er?" "Durf je dat nog te vragen? waar zijn die sigaretten?" "Ik heb geen sigaretten!", antwoordde hij slaperig. "Wat? heb jij geen sigaretten? in de folterkamer zul je wel bekennen!", grijnslachte Prauss. "Breng hem weg!" De twee bewakers trokken hem met bruut geweld mee, terwijl ze hem stampten en sloegen. Toen ze in de folterkamer kwamen begon voor Rudy de hel. Hij zag een takel die aan de muur hing en een wichel die op de grond lag. Achteraan in de gruwelkamer stond een kachel met ernaast enkele stoofhaken.
Rudy huiverde toen hij de duimschroeven en de vingerpers en de met bloed besmeurde witte muren zag. Twee SS-ers duwden hem onzacht op een oude vuile stoel en staken vervolgens zijn vingers in de pers, terwijl de bewaker bars vroeg: " Waar zijn die sigaretten, vooruit zeg op!" "I...ik weet het niet...!" "Ha, ha, ge weet het niet he?" De beul draaide langzaam de vingerpers aan, Rudy's vingers werden zowaar plat geperst. Hij gilde het uit, de kreten klonken akelig door de lange schaars verlichte gang... De beulen martelden verder. Het bloed kwam onder zijn nagels te voorschijn en hingen in slierten aan zijn vingers. Na een lange tijd vreselijk gemarteld te zijn werd hij als een wrak naar de slaapzaal gebracht. 's Anderendaags ’s middags kregen ze een dunne soep waarin halfgare groenten zwommen. Doordat Rudy's vingers gekwetst waren kon hij de soepkom niet vastnemen. Zijn vriend Alex, die in dezelfde slaapzaal sliep, wilde hem helpen. Maar een bewaker riep: "Als je hem helpt, ga jij ook onder de pers, begrepen?" Rudy werd verplicht zijn soep op te slurpen zoals een dier. De bewaker die naar hem keek riep de andere SS-ers erbij en zei: "Kijk, dat murmel eet als een beest, ha, ha, ha!" De vier bewakers kwamen naderbij en brulden van het lachen, ze hadden plezier in het schouwspel. Na de karige maaltijd werden de gevangenen met bruut geweld naar buiten gedreven. Prauss riep: “Neem een schop en een houweel, schnell, schnell!" Nadien duwden de SS-ers hen onzacht voort, steeds roepend: "Vooruit luilakken, lopen!" Eén van de gevangenen struikelde en viel... Een bewaker riep woedend: "Sta op hoerenjong!" Bij deze woorden sloeg en stampte hij de arme man, waar hij hem raken kon. Toen het slachtoffer probeerde recht te komen duwde de SS-er hem lachend weer op de grond tot hij uitgeput bleef liggen. De andere gevangenen liepen moeizaam verder, ze probeerden nog een glimp op te vangen van hun vriend. De bewaker hield hen echter nauwlettend in de gaten. Toen de groep aan een reeks lorries kwam, stond luitenant Prauss hen reeds op te wachten. Hij keek aandachtig rond, na enkele seconden begon hij te spreken: "De kipwagentjes moeten goed hoog opgevuld, alsook de hoeken!" “De lorries moeten over een houten brug aan de buitenoever gebracht worden. Aan iedere kipwagen moeten vier gevangenen werken.” De bewakers hitsten de gevangenen zo op dat deze karwei voor hen zéér stresserend was. Bovendien was het werk zéér zwaar, omdat ze de lorrie een halve draai moesten geven, om de heuvel af te rijden. Met een stok werden de wielen tegengehouden om de vaart te minderen. Maar oh wee als de kipwagen van de rails schoof... Die dag, het kipwagentje schoof van de rails... Rudy's vingers waren nog niet genezen. Hij en de drie andere gevangenen probeerden zo goed als het kon het ding op zijn plaats te zetten. De bewaker donderde: "Zet die verdomde lorrie op zijn plaats, luilakken!" Aan de buitenoever moesten ze het ding omkantelen. Tijdens dit werk hoorden ze een nijdig geblaf... Instinctief keken ze naar hun vriend Roger die enkele meters verder werd gestampt en geslagen. De Duitse scheper was getraind om de gevangenen aan te vallen, als één van hen gestampt werd. De hond was de schrik van het kamp. Het dier viel de arme man als een razende aan... Prauss lachte bij dit schouwspel. De gevangenen keken ontdaan naar hun vriend die door het dier omzeggens verscheurd werd. De gevangenen keken ontdaan toe en hadden medelijden met Roger ie zwaar gewond op de grond lag. Prauss en de andere twee bewakers proestten het uit, ze hadden plezier in het schouwspel, toen ze zagen hoe de arme man de hond probeerde van zich af te duwen.
Het werd november 1942. Luitenant Prauss koos enkele mannen om de doodspalen te planten. Dezelfde dag werden ze gefusilleerd. De gevangenen waren sterk onder de indruk van het gebeurde. Rudy piekerde de ganse dag, hij hoorde zelfs de bewaker niet die riep: "Stoppen!" Als avondeten werd er 100 gram brood en twee kopjes zwart brouwsel van gebrande eikels geserveerd. Tijdens de uitdeling was het wachten geblazen, want er waren maar twintig lepels en dertig eetbakjes voor 48 gevangenen. Als de anderen gedaan hadden vlogen de nog wachtenden als wolven op het eten. Sommigen konden hun tijd niet afwachten en aten alles met hun handen. 's Avonds om 8 uur moest iedereen naar bed. Hier stond slechts één nachtemmer voor 48 gevangenen.
Rudy had een rusteloze nacht, hij kon de gedachte aan zijn gezin niet van zich afzetten. Pas na lange tijd viel hij in een diepe droomloze slaap. 's Morgens moesten ze zich wassen met ijskoud water in een zéér kille gang. Nadien in looppas terug naar de slaapzaal om aan het voeteinde van de Bettenbau's in geef-acht-houding te gaan staan. Wanneer de officier begon te tellen waren de gevangenen verplicht hun hoofden naar de deur te richten en hem te volgen met hun ogen. Zoniet kregen ze slaag. Enkele dagen later werd Rudy betrapt bij het praten tijdens het appél. Als straf moest hij een steile helling beklimmen. Moeizaam kroop hij naar boven, maar de SS-ers vonden het plezierig om hem steeds naar beneden te duwen. Deze pesterijen duurden tot hij vermoeid bleef liggen. Sinds zijn arrestatie was hij 30 kilo vermagerd. Toen woog hij 70 kilo. Enkele dagen nadien, Luitenant Prauss besliste om een galg te laten bouwen. Er moesten drie timmerlieden gevonden worden. Toen hij de drie uitgekozen had beval hij: "Bouw een galg die tegenover de doodspalen moet gebouwd worden, met een val van één meter diep en die in éénmaal kantelt. De drie gevangenen vroegen zich af of ze hetzelfde lot zouden moeten ondergaan als diegenen die de doodspalen gepland hadden. Twee maanden later... Rudy stond voor het grote raam, hij kon de martelplaats zien. De Wehrmachtoversten stapten voorbij, achter hem de oversten van het kamp, dan de drie gekozenen die de galg gebouwd hadden. Met hun handen op hun rug gebonden, gevolgd door een karretje, getrokken door enkele mannen en de Vlaamse SS. Rudy keek medelijdend naar het drietal die moesten sterven... Bevend bad hij: " Oh God, laat deze drie veroordeelden niet teveel lijden!" Enkele minuten later kwam de stoet terug met de lijken...
's Zondags was er toezicht, de bedden werden gecontroleerd... Opnieuw beginnen, weer opmaken, steeds opnieuw... De kamers schoonmaken, herbeginnen, steeds weer. Soms moesten de gevangenen uren naakt op appél buiten staan. Op een nacht rukten 2 bewakers Rudy's slaapzaal open. De 2 bewakers stapten nijdig naar Alex bed en brulden: "Meekomen, vooruit en vlug wat!" Alex schrok met een ruk wakker, verbaasd keek hij rond en vroeg: "Waarom moet ik meekomen? ik heb niets misdaan!" " Wat, heb jij niets misdaan, je hebt iets van je kamergenoten verzwegen en het is van belang dat wij dat weten, begrepen?", tierde de SS-er. "Maar ik heb niets verzwegen, ik weet niets!" "Jij verzwijgt iets en wij moeten weten wat dat is, begrepen?" En zij sleurden hem zonder pardon.
"In de folterkamer zul je wel bekennen!" De bewakers sloegen en stampten hem tot ze aan de gruwelkamer waren. Ze liepen door een lange gang die kil en zéér schaars verlicht was. Aangekomen bonden ze zijn handen op zijn rug, met een koord die aan een katrol en aan de muur bevestigd was. De SS-er trok er aan en hees Alex omhoog. Daarna sloegen ze met een zweep op zijn voetzolen. Vervolgens lieten ze de koord los, waardoor tiet slachtoffer met een plof op de houten wichel viel die op de grond lag. Bij deze val gilde hij het uit van pijn en smeekte: "Maak mij los, ik hou het niet meer uit!" "Zeg ons wat je weet en ik zal je uit deze pijnen verlossen.!" Uitgeput van de vele martelingen kon hij nog net fluisteren: "Maak mij alstublieft los, ik weet écht niets, genade!" Bij dit gezegde hesen de bewakers hem wéér omhoog. Ze hadden plezier in hun martelpraktijken. Alex hing reeds een hele tijd in de hoogte toen hij smekend vroeg: "Maak mij los, ik hou het niet meer uit!" Na enkele seconden viel hij bewusteloos. De SS-er gooide een emmer ijskoud water op Alex hoofd. Toen hij bijkwam lieten de bewakers andermaal de koord los. "Ga je nu eindelijk zeggen wat je weet?" Alex stem werd met de minuut zwakker en lispelde: "Ik weet niets!" Toen de bewakers hem losmaakten dacht hij opgelucht: "Eindelijk wordt ik naar mijn slaapplaats gebracht...” Maar tot zijn ontzetting werd hij ruw op een oud versleten krukje geduwd. De bewakers bonden zijn handen voor de tweede maal op zijn rug. Ze zwaaiden dreigend met een stuk prikkeldraad en bulderden: "Wanneer ga je nu eindelijk alles vertellen wat je weet?" Totaal uitgeput van de doorstane folteringen antwoordde hij fluisterend: Ik kan jullie niets vertellen, want ik weet niets!” Bij deze woorden werden de SS-ers woest en doorkerfden zijn rug tot het bloed uit de diepe wonden spoot... De witgekalkte muren kleurden zich rood... Alex pijnlijke uitroepen waren te horen tot in Rudy's slaapzaal. Rudy rilde bij deze martelingen.
Op zekere dag, het was 10 mei 1943, het regende pijpenstelen. Luitenant Prauss vond het amusant om de gevangenen in de gutsende regen te laten werken. De gevangenen hadden kaal-geschoren hoofden en hadden geen muts. Enkel een kamphemd vol gaten en een kakibroek. De modder kleefde op hun huid. Vooraleer naar binnen te mogen moesten ze eerst hollen, zich laten vallen, opstaan, enz... Ze hoorden urenlang: “Hinlegen, aufstehen!" Nadien in het gelid. Vervolgens schoppen en houwelen in het vuile water reinigen, geen greintje slijk mocht er nog te zien zijn. Zoniet kregen ze straf... Uitgeput door de vele pesterijen mochten ze eindelijk na een karige maaltijd naar bed.
